Skip to main content

Sociale verzekeringen per 1 januari 2007

Uitkeringen als de AOW, ANW, WW, WIA, WAO en Wajong gaan vanaf 1 januari 2007 omhoog. De verhogingen worden doorgevoerd omdat de uitkeringen zijn gekoppeld aan het wettelijk minimumloon. Het minimumloon stijgt van 1284,60 naar 1300,80 euro bruto. Ook de kinderbijslag gaat omhoog. De aanpassingen zijn nodig omdat ook de lonen en de prijzen de afgelopen tijd zijn gestegen.
AOW’ers zien hun uitkering bijvoorbeeld met tussen de 10 en de 20 euro per maand stijgen. Hoe hoog het bedrag is, hangt af van de persoonlijke situatie. Zo ziet een alleenstaande AOW’er zijn netto-uitkering toenemen met ruim 15 euro tot 895 euro per maand. Echtparen waarvan beide partners 65 jaar of ouder zijn, krijgen in totaal netto 20 euro per maand erbij. Hun netto-uitkering komt dan uit op 1220 euro per maand. Dat is exclusief vakantietoeslag en de tegemoetkoming AOW. Deze tegemoetkoming wordt aan alle AOW-ers uitbetaald en het bruto bedrag wordt vanaf 1 januari met ruim 4 euro per maand verhoogd naar 13,82 euro.
Ook mensen met WW, WIA en WAO gaan er over het algemeen op vooruit. De uitkeringen worden geïndexeerd met 1,26%. De absolute stijging is wat lastiger aan te geven omdat die nog meer dan bij de AOW afhangt van persoonlijke omstandigheden. Zo is bijvoorbeeld ook van belang hoe hoog hun inkomen was voordat zij een uitkering kregen. Wel is er een basisbedrag (het maximumdagloon) dat mede wordt gebruikt om de hoogte van de uitkeringen te berekenen. Het maximumdagloon wordt per 1 januari 2007 vastgesteld op 172,48 euro bruto per dag. Dat is 2 euro hoger dan daarvoor.
AOW’ers die getrouwd zijn of samenwonen hebben elk een eigen recht op een AOW-pensioen. De hoogte daarvan is gelijk aan de helft van het nettominimumloon. De AOW voor een alleenstaande bedraagt 70 procent van het netto minimumloon en dat voor een eenoudergezin 90 procent. Bij die laatste groep gaat het om pensioengerechtigden die een kind hebben jonger dan achttien jaar voor wie zij kinderbijslag ontvangen.
Voor gehuwde AOW’ers van wie de partner jonger is dan 65, gelden afwijkende regels. Normaal gesproken is het pensioen gelijk aan 50 procent van het minimumloon (de uitkering voor een gehuwde). Daarbovenop komt een toeslag van maximaal hetzelfde bedrag (bruto 653,73) (deze toeslag komt overigens te vervallen per 1 januari 2015). Echter, is het recht op pensioen al ingegaan voor 1 februari 1994 dan valt de AOW’er onder een overgangsregeling en is het pensioen 70 procent van het netto minimumloon. De toeslag is dan maximaal 30 procent.

Belastingkorting voor ouders omgezet in uitkeerbare kindertoeslag

De kinderkorting, een korting die ouders krijgen op de te betalen belasting, wordt met ingang van 2008 vervangen door een kindertoeslag. Hierdoor profiteren voortaan ook ouders met een laag inkomen van deze tegemoetkoming in de onderhoudskosten van kinderen. Dat staat in een wetsvoorstel van demissionair staatssecretaris Van Hoof van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat bij de Tweede Kamer is ingediend.
Op dit moment kampen bepaalde huishoudens met het probleem dat ze de belastingkorting niet kunnen verzilveren. Werkende alleenstaande ouders en alleenverdieners met een salaris gelijk aan het minimumloon betalen te weinig belasting om voor het totale bedrag aan belastingkortingen in aanmerking te komen. Ze profiteren daardoor niet of nauwelijks van (een verhoging van) de kinderkorting. Door de belastingkorting te vervangen door een uit te keren toeslag is dit probleem opgelost.
Alleenstaande werkende ouders met een inkomen op het niveau van het minimumloon zien door de toeslag hun inkomen met gemiddeld 5,4 procent stijgen. Voor een werkende alleenverdiener met kinderen is dat 2,4 procent.
Circa 1,2 miljoen gezinnen hebben straks recht op kindertoeslag. Het gaat om ouders met een kind dat jonger is dan 16 jaar en voor wie ze ook kinderbijslag ontvangen. Voor jongeren tussen de 16 en de 18 jaar hebben de ouders alleen recht op de toeslag als ze het kind in belangrijke mate onderhouden. De hoogte van de toeslag is afhankelijk van het inkomen van de ouders en varieert van 0 tot 77 euro per maand. Nu is dat ook al zo met de kinderkorting.
De Belastingdienst/Toeslagen voert de regeling uit in nauwe samenwerking met de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De Belastingdienst stort de toeslag maandelijks op de bankrekening van (een van) de ouders. Voor 2008 houdt het kabinet rekening met een bedrag van 808 miljoen euro om de regeling te bekostigen. Daarvan gaat 61 miljoen euro naar ouders die nu om belastingtechnische redenen niet volledig profiteren van de kinderkorting.
Het wetsvoorstel is een reactie op een motie van de Tweede Kamer, waarin het kabinet wordt verzocht zowel de kinderkorting als de ouderenkorting als toeslag uit te keren. De regering heeft als reactie daarop al aangegeven er naar te streven alle inkomensafhankelijke kinderregelingen onder te brengen in één regeling. In 2009 zal ook de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdragen en schoolkosten voor kinderen tot 18 jaar in dezelfde regeling worden ondergebracht als de kindertoeslag.

Vereenvoudigde Arbeidstijdenwet volgend jaar van kracht

 

De Eerste Kamer heeft op 28 november 2006 ingestemd met de Vereenvoudigde ATW (v-ATW). De nieuwe Arbeidstijdenwet zal per 1 april 2007 van kracht zal worden. Ook zal het Arbeidstijdenbesluit worden aangepast. Naar verwachting zal het aangepaste ATB begin januari 2007 worden gepubliceerd. Voor sectoren die afspraken over werktijden in de CAO hebben vastgelegd, komt er een overgangsregeling. In deze sectoren wordt de nieuwe wet van toepassing op het moment dat de CAO in 2007 afloopt, of eerder wanneer CAO-partijen dat afspreken. Uiterlijk op 1 januari 2008 geldt de vereenvoudigde ATW voor alle sectoren.

Eerste Kamer stemt in met nieuwe Pensioenwet

Werknemers en gepensioneerden krijgen meer zekerheid over de (toekomstige) uitbetaling van hun pensioen. Daarvoor worden er eisen gesteld aan de omvang van het eigen vermogen van de pensioenfondsen. Ook krijgen pensioendeelnemers een wettelijk recht op goede voorlichting over hun pensioen. Verder mogen bedrijfspensioenregelingen geen toetredingsleeftijd hanteren van hoger dan 21 jaar (nu bouwen in een aantal bedrijfspensioenregelingen werknemers pas vanaf hun 25ste jaar pensioen op). Dit is de kern van de nieuwe Pensioenwet die op 5 december jl is aangenomen door de Eerste Kamer. De nieuwe wet zal de huidige Pensioen- en spaarfondsenwet vervangen en gaat in per 1 januari 2007.

Om de uitbetaling van pensioenen aan deelnemers veilig te stellen, stelt het wetsvoorstel eisen aan de omvang van het eigen vermogen van de pensioenfondsen. Het kabinet heeft met werknemers- en werkgeversorganisaties en De Nederlandsche Bank afgesproken dat een deelnemer gemiddeld slechts éénmaal in de periode van zijn pensioenopbouw (zo’n veertig jaar) kan meemaken dat de reserves van het pensioenfonds lager zijn dan het vereiste minimum.
In de nieuwe Pensioenwet is de medezeggenschap van deelnemers aan pensioenregelingen wettelijk vastgelegd. Dit houdt in dat bedrijfstakpensioenfondsen worden verplicht een deelnemersraad in te stellen. Ondernemingspensioenfondsen kunnen kiezen tussen vertegenwoordiging in het bestuur door gepensioneerden of een deelnemersraad.

Verder scherpt de nieuwe Pensioenwet de eisen voor de voorlichting aan. Pensioenfondsen en verzekeraars moeten hun deelnemers en gepensioneerden duidelijk voorlichten over hun opgebouwde aanspraken en over de aanpassing van hun pensioenen aan de inflatie. Dit moet minstens één keer per jaar gebeuren; na schriftelijke toestemming van de deelnemer kan dit per e-mail. Werknemers die niet langer pensioen opbouwen in een fonds (slapers), moeten eens in de vijf jaar informatie krijgen over opgebouwde aanspraken. Voorlichting over vrijwillige aanvullende pensioenregelingen moet voldoen aan de eisen die ook gelden voor voorlichting over (andere) complexe financiële producten, zodat werknemers de regelingen onderling kunnen vergelijken. Ook de voorlichting over al dan niet aanpassen van de pensioenen aan de inflatie (indexatie) wordt aangescherpt. Als pensioenfondsen pensioenen niet indexeren of hier voorwaarden aan verbinden, moeten zij hun deelnemers en gepensioneerden daarover helder informeren. Als er onduidelijkheid is over het indexatiebeleid van een pensioenfonds, gaat de toezichthouder ervan uit dat de pensioenen onvoorwaardelijk worden geïndexeerd. Dan moeten pensioenfondsen ook voldoende vermogen hebben om aan de indexatieverplichting te voldoen. Daarnaast komt er vanaf 2008 een zogeheten indexatielabel dat de deelnemer meer helderheid geeft over de verwachte indexatie. Hoe dat label er uit zal komen te zien, wordt komend jaar duidelijk.

De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten houden toezicht op de naleving van de wet. De Autoriteit ziet toe op de naleving van de voorschriften over voorlichting. De Nederlandsche Bank controleert de financiële aspecten en alle overige bepalingen.
Het wetsvoorstel bepaalt verder dat bedrijfspensioenregelingen geen toetredingsleeftijd mogen hanteren van hoger dan 21 jaar. Zo wordt de discriminatie van jongere werknemers ten opzichte van oudere werknemers tegengaan. Bovendien is het wenselijk dat het aantal mensen zonder aanvullende pensioenopbouw verder afneemt.
Blijkt na evaluatie over het jaar 2006, die medio 2007 zal plaatsvinden, dat het aantal werknemers zonder aanvullende pensioenopbouw niet aanzienlijk is gedaald, dan zal een volgend kabinet bezien of, en zo ja welke wettelijke maatregelen nodig zijn om ervoor te zorgen dat meer werknemers aanvullend pensioen opbouwen.

Zelf pensioen sparen veel duurder

Ondernemers die zelf voor hun pensioen sparen bij een verzekeringsmaatschappij betalen 20 procent meer premie dan werknemers die bij een verplicht pensioenfonds zijn aangesloten.
Dat komt door marketingkosten en een winstopslag, die de verzekeraars doorberekenen aan hun klanten. Ook de commissie voor tussenpersonen wordt verrekend bij de verzekeringsmaatschappijen. Werknemers zijn verplicht aangesloten bij pensioenfondsen, die deze kosten hierdoor niet hoeven te maken.
Uit een studie van De Nederlandsche Bank blijkt dat de zogenaamde uitvoeringskosten van individuele regelingen vijf keer hoger zijn dan bij collectieve pensioenfondsen (23,9 procent ten opzichte van 4,4 procent).
Verzekeraars vinden de verplichte deelname aan het pensioenfonds van werknemers valse concurrentie. Ook de vakbonden zijn niet blij met de situatie. Alle werknemers betalen een gelijk percentage, maar ouderen profiteren meer dan jongeren, vrouwen meer dan mannen en werknemers met partner krijgen meer dan alleenstaanden.
Minister De Geus van Sociale Zaken heeft een onderzoek aangekondigd naar de verplichte deelname. Onderwerp is de mogelijke splitsing van pensioenfondsen in een bestuur en een uitvoeringsorgaan, schrijft Het Financieele Dagblad.

Minimumlonen gaan in 2007 omhoog

De brutobedragen van het wettelijk minimumloon en het minimumjeugdloon stijgen per 1 januari 2007. Het gaat om stijgingen tussen de vijf en vijftien euro.
Voor een werknemer van 23 jaar of ouder is het bruto minimumloon per 1 januari 2007 bij een volledig dienstverband 1300,80 euro per maand, 300,20 euro per week en 60,04 euro per dag. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid publiceerde onlangs een nieuw overzicht van alle minimumlonen.

Werkgevers hoeven jongeren van 13 en 14 jaar geen minimumloon te betalen. Op 10 november bepaalde de Hoge Raad dat jongeren met deze leeftijden geen recht hebben op een wettelijk minimumloon, schrijft Gribb.nl.
Deze kinderen mogen wel werken, maar niet met het doel om geld te verdienen. Voor kinderen van deze leeftijd is het belangrijker dat zij hun opleiding afronden, aldus de Hoge Raad.

Overzicht pensioen via de pc

Een nieuw loket biedt iedereen volgend jaar een actueel overzicht van zijn pensioen. Nederlanders kunnen vanachter hun pc volgen hoe hoog hun pensioen is geworden en wat zij nog moeten doen om tot hun pensionering bij te sparen.
Alle pensioenfondsen werken aan dit loket mee, schrijft De Telegraaf. De Vereniging voor Bedrijfstakpensioen doet momenteel onderzoek naar de omvang van zo'n loket. De vereniging, die werkt namens 86 bedrijfspensioenfondsen, 4,7 miljoen deelnemers en 400 miljard euro in beheer heeft, zal het loket betalen.

Lagere arbeidskosten uitzendkracht

De arbeidskosten van een uitzendkracht blijken in de praktijk meestal lager uit te vallen dan die van een medewerker met een contract voor bepaalde tijd. Dit kostenvoordeel kan zelfs voor onbeperkte duur gelden.
Verder blijkt dat kostenoverwegingen niet altijd de belangrijkste redenen zijn om voor een uitzendkracht te kiezen. Dit blijkt uit het onderzoek 'Flexibiliteit, noodzaak voor concurrentiekracht' dat in opdracht van de Algemene Bond Uitzendondernemingen is uitgevoerd.
Belangrijker zijn het gemak en de veel grotere flexibiliteit die organisaties krijgen wanneer zij werken met uitzendkrachten. ABU hoopt met dit onderzoek een eind te kunnen maken aan het idee dat uitzendkrachten duurder zijn dan contractanten.
Vaak denken bedrijven dat ze voordeliger uit zijn wanneer ze zelf mensen tijdelijk aantrekken. Uit het onderzoek blijkt echter dat de kosten van een uitzendkracht lange tijd lager liggen dan de kosten van een medewerker met een contract voor bepaalde tijd.
Bij het onderzoek valt op dat uitzendkrachten voordeliger zijn wanneer de organisatie zijn primaire proces en het inleenproces heeft ingericht op het inzetten van uitzendkrachten.

Loonexpert organiseert avondseminar in december

Op dinsdag 12 december is iedereen weer van harte welkom bij het jaarlijkse avondseminar van Loonexpert Nederland BV. Dit seminar staat bol van de actualiteiten op het gebied van de salarisadministratie. Het seminar, dat om 19.00 uur in Van der Valk in Emmen begint, is een must voor elke werkgever, salarisadministrateur, financiële administrateur en personeelsfunctionaris. In één avond ontvangen deelnemers alle benodigde informatie om ook in het jaar 2007 de salarisadministratie correct uit te voeren. Tevens geeft Loonexpert een update op het gebied van Arbeidsrecht. Het seminar kost slechts€ 55 per persoon, inclusief koffie en borrel na afloop.
 

Premies sociale verzekeringen voor 2007 vastgesteld

De ministerraad heeft op voorstel van minister De Geus van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de hoogte van de premies voor de sociale verzekeringen voor 2007 vastgesteld. Een aantal premies wijkt af van de cijfers die het Centraal Planbureau op Prinsjesdag heeft gepubliceerd.
Zo wijkt de hoogte van de werkloosheidspremie af van de raming van het Centraal Planbureau. De WW-premie voor werknemers gaat omlaag met 1,35 procent en wordt 3,85 procent. De WW-premie voor werkgevers daalt met 0,15 procent en wordt 3,30 procent. Het UWV (Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen) stelt de gemiddelde sectorpremie in november vast. Als deze premie noemenswaardig anders is dan verwacht, dan wordt de werkloosheidspremie voor werkgevers ook aangepast. Dit zal per saldo geen effect hebben op de totale premie voor werkgevers.
Het UWV heeft al de WAO-rekenpremie en de WGA-rekenpremie vastgesteld. Deze vallen lager uit dan de raming van het Centraal Planbureau.

Uitkering volledig en duurzaam arbeidsongeschikten omhoog

De uitkering van mensen die volgens de nieuwe Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn, gaat vanaf 1 januari 2007 omhoog. De uitkering wordt verhoogd van 70 naar 75 procent van het laatst verdiende loon. Dit gebeurt met terugwerkende kracht voor mensen die in 2006 een IVA- uitkering (Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten) hadden. Dit heeft de ministerraad besloten op voorstel van minister De Geus van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Het kabinet heeft in samenhang hiermee ook besloten om de zogeheten Pemba-premie die werkgevers voor de WAO moeten betalen af te schaffen. Deze premies variëren afhankelijk van de WAO-instroom van de laatste twee jaren. Door afschaffing, uitgaande van 1 januari 2006 als referentiedatum, betalen alle werkgevers die bij het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) verzekerd zijn voor de WAO vanaf 2008 dezelfde premie.

Digitaal klantendossier 2008

Wie zich inschrijft als werkzoekende, of een uitkering aanvraagt, hoeft daar in de toekomst nog maar één keer zijn gegevens voor te verstrekken. Dat is het gevolg van een wetsvoorstel waar de ministerraad mee heeft ingestemd op voorstel van staatssecretaris Van Hoof van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
De wet verbiedt organisaties die de wetten voor werk en inkomen uitvoeren om bij hun klanten gegevens op te vragen die al bij hen of bij andere uitvoeringsorganisaties bekend zijn. Zij moeten gebruik gaan maken van het digitale klantdossier dat vanaf 1 januari 2007 in fases wordt ingevoerd. In dit dossier staan de bij de verschillende diensten bekende gegevens van de klant.
Met het digitale klantdossier kan de klant vanuit huis een uitkering aanvragen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een “omgekeerde intake”. Dat houdt in dat de burger niet meer verantwoordelijk is voor het verstrekken van gegevens. Hij ontvangt inschrijfformulieren waarop zijn gegevens al zijn ingevuld. Die hoeft hij alleen nog maar te controleren op juistheid en - waar nodig - te corrigeren of aan te vullen. De ministerraad heeft ermee ingestemd dat het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State zal worden gezonden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden pas openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer. Het is de bedoeling dat het wetsvoorstel op 1 januari 2008 in werking treedt.

Oudere werklozen

Voor oudere werknemers die op of na 1 oktober 2006 werkloos worden, komt er na afloop van de WW een speciale uitkering. Deze zogeheten inkomensvoorziening voor oudere werklozen (IOW) ligt op minimumniveau. Degenen die na hun 50ste werkloos worden, hoeven niet eerst hun vermogen aan te spreken om voor de uitkering in aanmerking te komen. Als de eerste werkloosheidsdag na de 60ste verjaardag valt, wordt ook niet gekeken naar het inkomen van de partner. Het gaat om een tijdelijke regeling die in 2010 wordt geëvalueerd. Het kabinet stelt de regeling open voor oudere werknemers die voor 1 juli 2011 werkloos zijn geworden. Het wetsvoorstel van minister De Geus van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat de nieuwe inkomensvoorziening regelt, is ingediend bij de Tweede Kamer.

Lastenverlichting 2007

Het kabinet stelt ruim een miljard euro beschikbaar voor lastenverlichting, gelijk verdeeld tussen burgers en bedrijven. Vrijwel iedereen krijgt extra koopkracht. De kinderopvang wordt goedkoper door een extra investering van 125 miljoen euro en door de verplichte werkgeversbijdrage. De kinderbijslag gaat omhoog met gemiddeld 35 euro per kind per jaar.
Voor werknemers daalt de premie voor de WW-uitkering met 1,35 procent tot 3,85 procent.
Ook gaat de arbeidskorting omhoog met 20 euro en de aanvullende combinatiekorting stijgt met 80 euro.
Een grote groep mensen gaat minder belasting betalen doordat de tarieven van de onderste belastingschijven dalen. De eerste schijf met 0,5 procent en de tweede met 0,05 procent.
De AOW-tegemoetkoming voor gepensioneerden gaat omhoog met 48 euro per jaar. Dit bedrag komt bovenop de aanpassing aan de stijging van het minimumloon.
De ANW-tegemoetkoming gaat ook omhoog met 48 euro per jaar. De algemene heffingskorting wordt verhoogd met 21 euro. Voor werkgevers gaat de WW-premie ook omlaag, van 3,45 naar 3,30 procent

Huishoudelijke hulp

Vooral mensen met een opleiding lager dan mbo-2 niveau hebben problemen met het vinden van werk. Het kabinet wil daarom bevorderen dat er meer banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt bijkomen door het voor particulieren aantrekkelijker te maken een hulp in of rondom hun huis te nemen. Wie dat voor maximaal drie dagen per week doet, hoeft geen premies en loonbelasting af te dragen.

Arbeidsongeschiktheid 2007

De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) stimuleert mensen om weer aan het werk te gaan. In deze wet is vastgelegd dat werkgevers ook zelf verantwoordelijk mogen zijn voor het inkomen van werknemers die in de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) terecht komen. Vanaf 2007 kunnen werkgevers dit risico verzekeren bij een particuliere verzekeraar of het UWV. Ze mogen de kosten ook tien jaar lang voor eigen rekening nemen.
Gedeeltelijk arbeidsgeschikten die een eigen bedrijf willen beginnen, krijgen een extra fiscale stimulans. Zij krijgen een aftrekpost van 12.000 euro in het eerste jaar, 8.000 euro in het tweede jaar en 4.000 euro in het derde jaar. Voorwaarde is dat zij ten minste 800 uur per jaar werken; dat is minder dan de standaardeis van 1225 uur.

Arbeidstijdenwet 2007

Een voorstel om de Arbeidstijdenwet te vereenvoudigen is in behandeling bij de Tweede Kamer. De wet zal naar verwachting op 1 januari 2007 in werking treden. Met dit wetsvoorstel wil het kabinet werkgevers en werknemers meer ruimte geven om samen afspraken te maken over werktijden. Er gaan minder regels gelden voor het maximale aantal uren dat iemand mag werken en voor nachtarbeid. Ook verdwijnen de aparte regels voor overwerk en worden de afspraken over pauzes een zaak van werkgevers en werknemers.

Nieuwe Pensioenwet

Momenteel ligt de nieuwe Pensioenwet voor behandeling in de Tweede Kamer. Het toetsingskader stelt eisen aan de financiële positie van pensioenfondsen, waardoor werknemers en gepensioneerden meer zekerheid krijgen over de (toekomstige) uitbetaling van hun pensioen. Pensioenfondsen moeten bovendien deelnemers beter informeren over hun opgebouwde pensioenrechten en over de aanpassing van pensioenen aan de lonen en prijzen. Daarnaast wordt de medezeggenschap van gepensioneerden wettelijk vastgelegd. Deze wet zal naar verwachting op 1 januari 2007 in werking kunnen treden.

Tien ingrijpende wetten

Met de Arbowet, Arbeidstijdenwet en Pensioenwet wordt de hervormingsagenda van de kabinetten Balkenende op het terrein van Sociale Zaken en Werkgelegenheid afgerond. Deze hervormingsagenda betrof in totaal tien ingrijpende nieuwe wetten en wetswijzigingen.

Zeven wetten zijn al eerder ingegaan:

  1. De Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte (2004) verplicht werkgevers bij ziekte van hun werknemer het loon twee in plaats van één jaar door te betalen.
  2. De Wet werk en bijstand (2004) maakt de gemeente verantwoordelijk voor het aan het werk helpen van bijstandsgerechtigden.
  3. De Wet kinderopvang (2005) verbetert de toegankelijkheid van de kinderopvang.
  4. De Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in sociale verzekeringswetten (2006) vereenvoudigt de wet- en regelgeving op het gebied van de premieheffing voor werknemersverzekeringen.
  5. Door de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen/ levensloopregeling (VPL, 2006) worden de VUT en prepensioen niet langer via de belastingen gesubsidieerd en wordt een start gemaakt met fiscale steun voor levensloopsparen.
  6. De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA, 2006) gaat uit van wat gedeeltelijk arbeidsgeschikten nog wèl kunnen, in plaats van wat ze niet meer kunnen.
  7. Door de aanpassingen in de WW in 2006 is de uitkering nu korter en daardoor meer een brug naar een nieuwe baan.

Sociale Begroting 2007

De uitgaven op de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beslaan in 2007 26,9 miljard euro. (2006: 25,8 miljard euro). De stijging ten opzichte van 2006 wordt onder meer veroorzaakt door verhoging van de kinderbijslag, extra geld voor de kinderopvang, introductie van de verplichte werkgeversbijdrage kinderopvang en hogere rijksbijdragen aan de sociale fondsen in verband met verhoging van de AOW-tegemoetkoming.
Van de begrotingsuitgaven is onder meer 4 miljard euro bestemd voor de Wet werk en bijstand en 1,6 miljard euro voor het flexibele re-integratiebudget, ruim 3 miljard euro voor de kinderbijslag, 2,2 miljard euro voor de sociale werkvoorziening, 1,8 miljard euro voor de jonggehandicapten en 1 miljard euro gaat naar de kinderopvang.

Kinderopvang 2007

In 2007 komt er 125 miljoen euro extra voor kinderopvang. Hiermee komt de totale bijdrage van het kabinet op meer dan 1 miljard euro. Dit extra bedrag leidt tot een flinke kostenbesparing bij tachtig procent van de gezinnen die gebruikmaken van de kinderopvang. Vooral de midden- en hogere inkomens gaan erop vooruit. De inkomensgrens waarop de overheid bijdraagt in de kosten voor het eerste kind, wordt verhoogd van 96.000 naar 130.000 euro.
De Geus wil werkgevers vanaf 2007 verplichten bij te dragen in de kosten van kinderopvang. Zowel de werkgeversbijdrage als de bijdrage van de overheid worden voortaan uitbetaald door de Belastingdienst. Dit betekent voor werkgevers en ouders minder papieren rompslomp. Dit voorstel is opgenomen in het Belastingplan 2007.
Door deze maatregelen kan het netto voordeel voor huishoudens die 90.000 euro verdienen en één of twee kinderen twee dagen op de opvang hebben, oplopen tot bijna 900 euro per jaar (bij een belastbaar gezinsinkomen van 90.000 euro). Als twee kinderen drie dagen naar de opvang gaan, is het verschil (bij een belastbaar inkomen van 90.000 euro) 1300 euro per jaar. Ouders met een laag inkomen (130 procent van het minimumloon) betalen in 2007 voor het eerste kind in de opvang 33 eurocent per uur, bij een gemiddelde uurprijs van 5,45 euro.

Wij geven Advies
Wij bieden Oplossingen
Wij delen onze Expertise
  Helpdesk
  Seminars
  Trainingen